- meten
- {{meten}}{{/term}}I 〈onovergankelijk, overgankelijk werkwoord〉1 [lengte/oppervlakte/inhoud bepalen] measure2 [met betrekking tot andere grootheden] measure ⇒ 〈met meettoestel〉 meter3 [afpassen] measure (out/off)♦voorbeelden:1 land meten • survey landop het gezicht meten • measure by eyevanaf hier gemeten • measured/measuring from here2 warmte meten • measure temperature3 hij meet ruim/krap • he gives full/short measureII 〈onovergankelijk werkwoord〉1 [bepaalde afmeting hebben] measure 〈voornamelijk niet met betrekking tot mensen〉♦voorbeelden:1 de kamer meet 3 m bij 5 m • the room is 3 (metres) by 5hij meet 1.070 m zonder schoenen/met zijn schoenen aan • he stands 5'7" in his stocking feet/with his shoes onIII 〈wederkerend werkwoord; zich meten〉1 [wedijveren] measure (up to) ⇒ match♦voorbeelden:1 jij kunt je niet met haar meten • you are no match for herhij kan zich niet meten met zijn voorganger • he doesn't measure up to his predecessorhij kan zich met de besten meten • he can hold his own with the best (of them)
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.